Een prachtig stuk van Merlijn Kerkhof in de Volkskrant van 3 juli dat precies verwoordt waarom ik trots terugkijk op mijn werk als verkeersvlieger. Een link naar het hele artikel staat aan het eind van dit stukje, maar hier alvast twee citaten:

“Reizen bemoeilijkt het dan ook om een vijandbeeld te creëren. Het lijkt me belangrijk om daarbij stil te staan nu machtsblokken zich terug in hun schulp trekken en tegelijkertijd het geopolitieke zwaartepunt van de Atlantische naar de Indische Oceaan verschuift.”

Dat was bij de Chicago-conferentie van 1944 inderdaad de drijfveer om internationaal verkeer vrij te stellen van accijns. Daar mag je best anders over gaan denken, maar dan moet de discussie dus ook daarover gaan: is bevorderen van internationale mobiliteit nog steeds verstandig. En niet over, zoals nu, de stelling dat luchtvaart moet worden beperkt omdat de bijdrage aan de menselijke uitstoot zo groot is. Want dat is die bijdrage niet. Noch absoluut, noch relatief. Zie de pagina Framing.

Maar daar komt nog iets bij. Stoppen met vliegen bezorgt juist kwetsbare samenlevingen schade, zoals het tweede citaat signaleert. Ook dat mag, maar ook daar moet wel over worden nagedacht:

“Het maken van reizen is niet alleen bevorderlijk voor empathie, voor de vrede, het zorgt er ook voor dat mensen aan de andere kant van de wereld het beter krijgen. Met iedere reis investeer je in de economie van het land dat je bezoekt. Meer welvaart in ontwikkelingslanden betekent minder honger en meer toegang tot gezondheidszorg.”

Dat die schade zeker geen theoretisch verhaal is blijkt uit de gevolgen van de Covid-reisbeperkingen.

Klik op de afbeelding voor het hele artikel.